|
Tot het midden van de zeventiende eeuw vochten alle schepen van
verschillende grootte en bewapening, die bij zeegevechten een vloot
vormden, zonder enige slagorde.
tactiek
In 1653 gaf de Britse admiraliteit echter een order uit dat
schepen slag moesten leveren, varend in één enkele lijn,
de kiellinie. Dan zou het "geven van de volle laag" de meeste uitwerking
hebben. Behalve goede oefening en discipline vereiste dit dat de schepen
in staat waren met dezelfde snel-heid te zeilen en dat zij gelijkwaardig
bewapend waren. Anders zou een zwak bewapend schip in de linie gedwongen
kunnen worden tegen een
veel sterkere vijand
te strijden. Deze tactiek werd door de andere zeevarende naties overgenomen.
indeling
Het gevolg van de nieuwe gevechtstactiek was dat de schepen werden
ingedeeld in klassen naar het aantal stukken geschut waarover het
schip officieel beschikte. De bewapening kon echter sterk variëren,
afhankelijk van het doel waarvoor het schip werd ingezet. Een schip dat
minder zware stukken voert is beduidend lichter, dus sneller en wendbaarder. Tegen
het einde van de achttiende eeuw werden in Nederland de belangrijkste
oorlogsschepen ingedeeld in 6 zogenaamde 'charters':
| |
1e
charter |
een schip van het eerste charter had 80 of meer stukken |
| |
2e
charter |
|
70 stukken |
| |
3e
charter |
|
60 stukken |
| |
4e
charter |
|
50 stukken |
| |
5e charter |
|
36 stukken |
| |
6e charter |
|
20 stukken |
Schepen van de eerste vier charters werden sterk genoeg geacht om
in de linie van bataille te vechten en werden daarom linieschepen
genoemd.
|
De DELFT was in deze rangorde een linieschip
van het vierde charter.
|
aanpassingen
[zie
popup]
Door de eeuwen heen veranderde dit soort grote schepen slechts langzaam. Het
waren zelden ingrijpende veranderingen. Het tuig werd geleidelijk aan
doelmatiger. Ra's konden worden verlengd met opzetstukken, de lijspieren,
om bij weinig wind het zeiloppervlak met lijzeilen te kunnen verbreden.
De eerste berichten daarover zijn van rond 1550. De stagen, dat zijn
de midscheeps lopende touwen die de mast in lengterichting stabiel
houden, werden ruim een eeuw later getuigd met stagzeilen.
In de 18de eeuw verloor de scheepsromp haar hoge opbouw.
De spiegel werd ronder. Vlak na de eeuwwisseling werd de boegspriet uitgebreid
met een kluiverboom voor de kluiver. Het duurde niet lang voordat
de blindesteng, de verticale mast op de spriet, verdween. Het bovenblindezeil
dat daarbij hoorde werd daarna onder de kluiverboom gevoerd. Op
kleinere schepen verdween later de grote bezaansroede. Deze werd
vervangen door een gaffel. Grotere schepen behielden de bezaansroede
echter nog gedurende bijna de gehele eeuw als een reserverondhout,
voor het geval een van de belangrijke ra's zou worden beschadigd.
(informatiebron: Skeppet - Björn
Landström - 1961)
Ook bij de DELFT waren deze vernieuwingen in bouw doorgevoerd.
scheepstypen
[zie
popup]
Hieronder de meest voorkomende scheepstypen in de 18de-eeuwse oorlogsvloot,
in aflopende grootte.
- linieschip - Grote, zware driemaster met bijzondere vaareigenschappen.
Minimaal 50 stukken geschut, verdeeld over meerdere dekken. Taken: schip
van oorlog, konvooivaart en kaapvaart.
- fregat - Sterke, snelle driemaster met 20 tot 50 stukken.
Voornamelijk voor konvooivaart en kaapvaart. Wordt gezien als
het belangrijkste type schip van de 18e en 19e eeuw.
- korvet - Kleinste type dat beschikt over 3 ragetakelde
masten, voor verkenning, met ca.18 stukken op het opperdek. Een
korvet kon worden geroeid, net als de onderstaande typen.
- brigantijn - Licht gebouwde, smalle tweemaster. De voormast
heeft razeilen, de achtermast alleen schraatzeilen. Ca.16 kanons.
Werd gebruikt als adviesjacht bij de oorlogsvloot.
- brik - Kleine tweemaster, volgetuigd ( = razeilen aan alle masten). Vergelijkbaar met brigantijn.
- kotter - Omvat meerdere kleine scheepstypen, doorgaans
met een platte hekspiegel. Zowel één- als tweemasters.
Ca. 12 kanons. Meestal ingezet als werkboot of bijboot van de
vloot.
|